Lang geleden, diep in een bos waar geen GPS-signaal doordringt, woonden Hans en Grietje met hun vader, een arme houthakker en hun stiefmoeder, die niet bepaald bekend stond om haar vriendelijkheid. Op een dag waren de voorraden op, en de stiefmoeder besloot hen achter te laten in het bos. Hans hoorde haar plan en vulde zijn zakken met witte steentjes om de weg terug te vinden. Die nacht keerden ze veilig terug. Maar het geluk duurde niet lang. De volgende dag werden ze opnieuw achtergelaten. Hans had dit keer enkel broodkruimels en de vogels hadden honger. De kruimels verdwenen, en met hen, de weg naar huis. Dagenlang zwierven ze door het bos, moe, hongerig, en verdwaald. Tot ze, op een open plek, een wonderlijk huisje zagen, gebouwd van koek, snoep en suiker.
Ze knabbelden gretig, tot de deur openging. Een boze heks lokte hen naar binnen, sloot Hans op en liet Grietje werken in de keuken. Maar Grietje was slim. Toen de heks haar hoofd in de oven stak, gaf ze haar een duw. De ovendeur viel dicht en de heks was voorgoed verdwenen. In de kelder vonden ze een mand vol goud en juwelen. Met een blij hart begonnen ze aan de terugtocht. Maar dit keer kwamen ze niet alleen bomen en struiken tegen ze stapten de wereld van het verkeer binnen...
Ze liepen en liepen, totdat het bos langzaam dunner werd en het vrolijke gezang van de vogels verstomde. Voor hen lag een enorme, dreigende weg: drie rijstroken in elke richting, gescheiden door een brede middenberm. Auto’s en vrachtwagens suisden voorbij als donkere donderwolken, hun motoren dreunend door de lucht. Grietje greep Hans’ arm stevig vast. "Hier kunnen we toch niet zomaar wandelen?!" riep ze, haar stem trillend van angst. Hans keek ernstig naar het razende verkeer. "Ik denk dat dit geen gewone weg is", mompelde hij.
Welke soort weg zien Hans en Grietje?
Voorzichtig besloten ze de autosnelweg te volgen. Hans en Grietje stapten op de meest rechtse rijstrook, afgescheiden door een dikke, volle witte lijn. Hier leek het verkeer even stil te staan, alsof de wereld hen een korte adempauze gaf. Toch voelde Grietje de spanning in haar borst, want dit was geen plek om zomaar te wandelen.
Hoe heet de strook waarop ze wandelen?
Even later ontdekten ze een aftakking: een smalle, onverharde weg vol glibberige keien, plassen en kleverige modder. Terwijl ze voorzichtig voortstapten, tufte een oude tractor langzaam naar hen toe en knikte hen vriendelijk. Grietje trok haar voet uit de modder en mompelde: "Voetgangers lijken hier inderdaad bijna nooit te komen". Hans keek nadenkend naar de hobbelige weg. "Maar toch wordt deze weg blijkbaar gebruikt", zei hij.
Wat voor soort weg zouden ze hier eigenlijk bewandelen?
Het hobbelige pad leidde hen naar een drukke kruising. Verkeerslichten knipperden in het zonlicht, pijlen op de weg wezen alle kanten uit en auto’s stonden netjes te wachten, motoren zacht brommend. "We zijn weer bij de mensen", zei Grietje terwijl ze zich stevig aan het voetpad vasthield. Hans keek ernstig naar het verkeer dat langs suist. "Volgens mij zijn we in de stad beland", zei hij.
Moet je in de bebouwde kom op de meest rechtse rijstrook rijden?
Ze stapten verder en enkele straten later kwamen ze op een straat waar fietsers vrolijk voor auto’s uit fietsten. Grietje tuurde naar een verkeersbord met een fietser erop. "Volgens mij is dit een straat speciaal voor hen". Hans knikte. "En de auto’s moeten zich aanpassen, niet andersom".
Wat voor straat is dit en waar mogen fietsers fietsen?
Plotseling rinkelde een bel. Rails doorkruisten de weg, slagbomen daalden langzaam neer en in de verte klonk een dreunend geluid. Hans trok Grietje achter de witte lijn, terwijl hun hart sneller klopte. Een trein stoof voorbij, ronkend en razendsnel. "Die kwam snel!" zei Grietje met grote ogen.
Wat voor soort plek is dit?
Toen de trein voorbij was en de slagbomen weer omhoog, staken Hans en Grietje voorzichtig de overweg over. De huizen verdwenen langzaam uit het zicht, velden strekten zich uit zover het oog reikte en de wind streek over de open weg. Een bord toonde het getal “70” en een vrachtwagen draaide van een zijweg de hoofdweg op. "Volgens mij zijn we uit de bebouwde kom", zei Hans. "Maar mogen we hier gewoon langs de weg wandelen?" vroeg Grietje zich af.
Op wat voor type weg zijn ze nu en waar mogen voetgangers hier lopen?
Ze liepen op de verhoogde berm, hun voeten stevig op de rand van de weg. Plotseling vertraagde het verkeer; auto’s kwamen tot stilstand en een sirene klonk scherp in hun oren. Hans keek achterom en zag een ambulance naderen, zijn zwaailichten reflecterend in de zon.
Wat moeten autobestuurders nu doen?
Ze bleven doorstappen en zagen verderop een ongeluk: twee auto’s waren tegen elkaar gebotst op een kruispunt. Kilometers later zagen ze gele lijnen op de rijbaan, werkkegels langs de kant en een bord waarop ‘werken’ stond geschreven. "Waarom zijn deze lijnen geel in plaats van wit?" vroeg Hans, terwijl hij om een kegel heen stapte. "Ik weet het niet", zei Grietje.
Wat geeft een gele wegmarkering aan?
De wegenwerken waren voorbij en even later kwamen ze op een plek die hen bekend voorkwam: een ronde weg, waar auto’s netjes in een cirkel met de klok mee reden. Een bord met pijlen wees hen de weg. Hans draaide zich rond en fronste. "Als we in deze cirkel blijven rijden, komen we nooit thuis!" Grietje grinnikte zachtjes. "We moeten gewoon de juiste afslag nemen."
Waar zijn ze nu en wie heeft er voorrang?
Na hun lange tocht zagen ze eindelijk het vertrouwde huisje weer. In de deuropening stond hun vader. “Jullie zijn terug!” riep hij met tranen in zijn ogen en sloot hen stevig in zijn armen. Hans en Grietje kwamen niet alleen terug met een warm hart, maar ook met een mand vol goud en juwelen die ze van de heks hadden meegenomen. “Waar komt dit vandaan?” vroeg hun vader verbaasd. "Van een boze heks", antwoordden ze. Zijn ogen twinkelden en een glimlach brak door. "Nu kunnen we eindelijk een nieuw leven beginnen."
Maar hoe ze dat deden is een verhaal voor een andere keer.